de tuin (en robe de parade)
(wederom vrij naar Ezra Pound)
als een tros van losse zijde die de wind tegen de muren blaast
loopt ze langs de railing van een pad in kensington gardens
sterft ze in stukjes
aan een soortement bloedarmoe
en rond haar bestaat geboefte
de vuile, stevige, onsterfelijke kinderen van de veel te armen
het telen stopt hier
haar verveling is barok en overdadig
ze wilt iets om mee te spreken
en is bijna bang dat ik haar dat zou durven.
richtlijnen voor een onderdrukking
1. hij heeft zich met elementjes van zichzelf omringd: labello voor de kraters op zijn lippen, nivea voor de wonden in zijn handen gevallen boeken wetenschap en een blikken trommel branden de ivoorpilaren onderbuur die hem koffie voedt en zegt dat liefdespoëzie niet mag bestaan dat ze personages moeten blijven, geen boeken de kat die met zijn staart zit te spelen omdat ie niet weet waar zijn vacht begint en het universum eindigt 2. hij leeft van kamer tot kamer tot de volgende met licht is koning van muggen hij woont onder ritme in denken dat gevuld wil met taaldansen, niets dan kadans waar op wordt bewogen, hij definieert: slapen op bed sterven aan ziekte eten van brood of nog: voeden rusten bij storm creperen aan dood 3. hij heeft zich met elementjes van zichzelf omringd bezeten, in tweegedachte schriften, manifesten tegen taal en borden vol spelbomen schetsen van vertakte borsten, bouwsteentjes lichaam en de angst om te vergeten dat er gesproken mag worden de kamer in onbeholpen aanleg: de steigers als scheve posters op een scheve muur 4. hij panikeert: "is dit hoe alles eindigt? gerafeld touw dat de degelijkheid niet heeft om op te branden? op een dag met grote oren in een bruine kroeg wakker worden en enkel nog meestal per ongeluk en veel te weinig veranderen op papier?" 5. hij spreekt in takken: "en als ze nu eens in mij binnenbreekt zoals in een kamer die bestaat uit de dingen die er op de grond liggen: een tapijt, poes een boek, wat vrouw (de poes en het boek op de vrouw, (de vrouw op het tapijt (dat nog naar koffie (van toen ik deze ochtend (toen ze daar nog niet, (toen ze nog met ogen (die je nooit wilt sluiten" 6. maar het mag het mag van de boeken, het mag van het zingen en de liefde op zijn ellebogen het mag van de spreekwoordelijke maagd, de dame met de heupen gepolijste kommen die hem met spitse oren zegt dat ze zijn boekje niet mag worden het mag van de poes met ogen als aquamarijnen kopjes die zich naast hem, met pulserende klauwtjes aan haar eigen scherfjes legt 7. de onschuld is geen vlies (je kan het blijven breken) dus neem hem maar de handen, duw ze zachtjes en met heupen naar de lijm en de gepolijste scherven maak hem uw marionette met lijmdraden: zet zijn eigen muren schrap geef de niet te vilten hamer aan de niet te vilten man (blijf van de pilaren verniel zijn hoekjes niet) stapel jullie stenen bouw een bunker met opgeheven rokken hij wil vanuit u vechten
basis
1.
axioma:
een lijnstuk
is in vergelijking
met een rechte
niet langer
dan een punt.
in de oneindigheid
van een ruimte
kies je zelf
waar je de oorsprong legt.
voorbeeld:
er zijn plaatsen waar je deel van uit gaat maken,
zoals ‘s nachts het bos toen we dertien en met de
handen in elkaar, met half bang gekloven lippen
langs de bomen met glinsterend papier en doeken
van de mannen met de stemmen en de sigaretten
de weg terug naar de duinen moesten zoeken.
het gebeurde daar:
we werden onbepaalde lidwoorden, vulden
slaapkamers met de Grootste Zinnen, filterden
het ‘ik’ zo fijn mogelijk uit alles dat we dachten.
want er was ons nooit verteld dat je, met de tenen in
de aarde, met de sterren door je netvliezen geprikt
jezelf van boven af niet mocht verbeelden
dat ook de grootste zinnen zijn geschreven voor de
meisjes die onze handen namen, ons door de bossen
trokken en in slaapzakken zelfs onze puistjes wouden strelen.
2.
lemma:
laat waterstof
lang genoeg begaan
en het begint
over zichzelf te dichten.
het maken
is ons opgelegd.
bewijs:
ze hadden het denken nog niet bedacht
zij, met leren benen en gegromde buiken
nog half gevuld van beestenvlees
ze waren nog in wording, bijna af, de
handen vlug, hoofden net groot genoeg
de kaken recht, de woorden hees
en dan thuiskomst:
herfst, in de grot zijn vrouw en kind en vuur
de opening is smal en het licht een balk
op de muur waar iets een man in heeft gekerfd
wat vloog er toen hun neuzen binnen?
een insect zich diep in schedels nestend
ziekte? god? de beer op de berg?
wat dwong hen in het geheim gefascineerd
een schaduw op de wand als meer te zien
dan de zon die gewoon haar dagtaak deed?
het was hun plaats op die beeldig magneten bol
of zelfs tussen de vreemde gaatjes in de nacht.
het was gewoon Het Allesomvattende in hen
dat met rotsengruis en water, met de ogen ernst
en lippen fijn, ons verplichte voor het eerst
de vingerverf van het universum te willen zijn.
3.
het vraagstuk: dolkervel
bij een brandend braambos
liggen apostelen te slapen zonder
oren of huid, met plasticine in de nekken
met de kanker in de botten, de vaderdaver
in de keel en de ogen op de werktuigen
zingen ze liederen natie, leugens volk
kwelen het Herr bin ich’s van een
kleingekneden, door zichzelf tot god
geslagen mensdom.
een ochtend op vrijdag:
het karig bijeengeraapte zwartgeelgrijs
beeldig zongesmolten rumspringen
ligt nog stolgloeiend onder mijn tenen.
er lopen eenden door de overpoort.
er is hier, op het in mens gedrenkte voetpad
nog nooit iets niet weggeveegd.
pilaren
(voor A.J.)
in abstracte ruimtes van directe lampen met speakers die tot in alle hoeken metafoor van denken proberen zijn daar aan tafel eten wij als medeplichtigen gebukt onze raadselige metateksten het rood en goud als medicijn en daar de moeder dan, de toren zijn macadammen keelkasteel contrair in zetels bij haar duitse zuchten de lippen in verzorging zingend schrijven zachtjes de apocalyps noemen ons zoon en broer, naïevelingen en daar de liefde dan, het troosten zijn ernstig huis van heupen zijn geprojecteerde vrouwenbeeld de vastleg-ogen, milde borsten je kan haar door de hoorn zien staren even tegendraads en beeldig incompleet en daar de stoel dan, zonder benen die vaderend betonnen holte kamers tot herinnering verbouwd zijn geërfd gelaat en scheve monden en pijnlijk lege jazz-akkoorden alles dat van hem nog wordt vertrouwd hier leerde hij mijn botten broeien help ik hem zijn fort van kaften vouwen tot schaduw die zijn fontanel afkoelt hier vloeit hij in gerekte wervels op de pilaren van zijn torenvrouwen en bij die ene trillend lege stoel
grotemensenwoorden
1.
er is mij gisteren een probleem verweten
van opvoeding en staken kunnen volgen
dat ik doornen en voltage ben
dat ik mijn stromen zelf wil vormen
maar kijk, ik kan de regels volgen
ik kan beslissen mij te schikken
als ik weet dat ze voor schoonheid zorgen
want kelen kunnen meer dan slikken
volwassen laat zich niet omschrijven
in kleren of in met voetjes op de grond
is niet windstil binnen lijntjes blijven
maar ze ontkennen mij met spitse mond,
kindjes koppig in hun rimpellijven,
dat groeien van veel dieper komt
2.
maar wat doe ik als ik grote oren heb
wat doe ik met met mijn denkerazen?
ik geen elektriciteit meer ben
niet door de muren meer kan blazen
misschien kan ik licht die snelheid houden
maar wat als ik de lust niet wil berijden?
als ik eigenlijk gewoon een dak wil bouwen
zal ik dan nog worden kunnen blijven?
ach, ‘t is niks, als het van mijn heupen moet
dan zal ik wel wat kinderen
en hen leren kijken, zoals een mens dat doet
maar in denken zal ik nooit niet binden
het spijt me, breken zit me in het bloed
je mag in mij geen algoritme vinden
periodiek
ik heb de kiemen van grote meneren gekend die zich in de
bodem en de straten kerfden, rusteloos bij obscure
drankjes, stervend aan symptoomloze ziektes die het
ontbreken van hun namen zijn, die mad-to-talk hongerend
naar kaas en verlichting en chauffage pogingen deden
elementen van te zijn, uniek en irreducibel:
die met rum en zingen de dauw aanstaken, zonnerood belicht,
eufemisme in de wind schreeuwend, zand in de ogen, roest
op de handen, wind in de benen, de duinen ontdekten,
flashbacks naar jeugd en zoenen en nog steeds dezelfde
grijze trui. (zo oud zijn we nog niet)
die naakte lichamen zochten, bloemenzaad en bitter en tulp
uit de mond, belicht in oranje, onschuldig
universumdachten, die kousenvoet op kousenvoet op
kousenvoet de liefde bedreven met woorden en traplopers
die op hun blazen drukten om de kerk met pis haar plaats te
tonen en onder dubstep en goa en acid-jazz en
post-ambient dreampoprock gejengel hun dromen leerden
definiëren
die in verlaten gymnasiums theelicht en david gilmour zagen
en nachtelang liegend, professioneel praatgraag onder
ringen en lichten bij de verwaaiden en verdwaalden en de
jongen die uren verdween om naar de sterren te kijken
boven een brak brussel 's morgens ontwaakten op dezelfde
kussens maar lichter dan ooit
die onvergeeflijk de schaduw van hun moeders imiterend niets
kunnen willen weten van wat er in de wereld gebeurt,
enkel levers willen zijn, lippen zien maar dat niet
voldoende vinden, en toch branden aan de kantlijn,
voeden aan het gesprek
die met de sappen van de vorige nog op de neuzen, met enkel
bonen in de handen, spijt hebben, schreeuwend naar de
telefoon, seks door de ether, artiest willen zijn, maar
dan vooral vanuit de heupen
die brandend naar dat hemelse eeuwenoude verbond met de
wisselstroom van de sterren in de machinerie van de
nacht, op zoek naar dromen enkel park en penis en praten
en overvolle hersenpan vonden
§
die langzaamaan herfst dus nu ook met buien, in een kamer
die nog naar klaargekomen robin wil ruiken, in
esthetische anesthesie dagenlang romes bouwden, voor het
eerst bewegend naar het eerste alles weer vergeten,
eindelijk ingevuld niets meer wilden zijn
die met de treinen aan hun voeten, zwervers zonder boxcars,
in lucht ontstaken, koud, onvergeeflijk langs hun nieuwe
huizen liepen en monologen van wanhoop dicteerden aan
bronzen bevrijders bij een rivier en klei en kaai en
geen sigaretten
die in een trillend spanje onder een naakte hemel zich
bleven wassen, voor het eerst voor altijd gevangen in de
sinusfunctie van hun hersengolven, takken brandend
zochten, geen ergere ziektes kennend
die veel te snel vijftig zullen worden, de wensen beneveld
door plicht en kind en dassen, zich terugtrekkend,
stervend bij de machinerie van andere skeletten,
eindelijk puzzelstukken, die eindelijk verschrikkelijke
deelverzamelingen voort zullen brengen, uitgesproken,
vanya, dood
die in kleine gentse rijhuizen, bij oude parketvloeren en
boeken over denken en mannen als knikkende apparaten
hun gordijnen verloren
§
die, terwijl ergens ver satie, gravend met tongen en in een
stille novembernacht onder een naïef universum niet
konden raden waar de nacht, de rook, hun adem grenzen
vonden
die, terwijl ergens ver trombone, op een zwevende
septemberochtend knisperend van veren, begin en einde
onwetend van dag, pluim, spaak en zonnegodenlichaam met
zachte voet opnieuw de leegte vonden, sicilië noch de
zon nog niet in zicht
vliering
(vrij naar Ezra Pound)
voel mee met
de meerhebbenden
met hun butlers
en zonder ons
en wij, lakeiloos,
met de avond
nog in onze oren
lachen met de getrouwden
de ongeliefden
elektrische trippel
door de ochtend
door de kamer
onze hersens
niet ver van mijn verlangen
heeft dit leven
niet veel beter
dan dit uur van koelte
van samen weer
tot de wereld komen
arco
mijn hout zingt
onder uw strijken
uw paardezachteharen
beven lippen
in mijn vel
ik eet uw woorden
zoen ze van uw huid
bak lendenen
in handen
ademt uit
onder mijn schubben
kauwt uw zinnen
in mijn schouders
zucht onder
ons trillen
brandt aan mijn denken
trouvère
een ritme
in denken
dat gevuld wil
met taaldansen
niets dan kadans
waar op wordt bewogen,
definieert hij
slapen op bed
sterven aan ziekte
eten van brood
of nog: voeden
rusten bij storm
creperen aan dood
gesofistikeerd
met tamme ogen
het fort van uw geuren
afgebroken
een Mirage, kortgewiekt
tegen twee miljoen in het uur
aan stukken gecrasht
op uw stemmenmuur
maak een bed
van mijn brandende romp
kus mijn vleugels
en soms
als de kamer
al veel te lang niet is verlicht
ruik ik nog uw ademrook
dit is al zo veel te vaak gedicht
laat mij toch
is dit hoe alles eindigt?
als gerafeld touw
dat de degelijkheid zelfs
niet heeft dicht te schroeien
op een dag
met grote oren
in een bruine kroeg
wakker worden
en enkel nog
meestal per ongeluk
en veel te weinig
veranderen op papier?
onvergeten ithaca
het begint als zwellen
als gevlokte branding
rode lippen willen zoenen
zoals enkel jongens ze kunnen
en de mannen
met hun wassen oren
kreunend aan de zeilen
en het krakend hout
van uw zingen
schraapt aan mijn tanden
uw blanke borsten
kerven zich in mijn ogen
onder uw huilen
barsten mijn aders
mijn huid keert zich
de wangen branden
en met gebonden handen
vaar ik achterwaarts
langs de klippen van uw schouders
en het waaien van uw haar
tot eindelijk, oh Messina
mijn schreeuwen stopt
de zee stilt
de golven breken
uit een man gebouwd
in deze tuin
en bij het besef van uw borsten
wil ik niets anders
dan mijn vlees
voor u niet verbergen
mijn lieveling, mijn eerste
dan de vrucht
van uw lende voeden
heel dicht bij mij houden
en voor altijd klei blijven
in uw warme palmen
en de curve van uw nek
-
maar onder hem
en bij zijn stem
kan ik niets
dan al uw
ogen doen wijken
en hen de mijne maken
dan steeds te hevig
en met al mijn gewrichten
uw buik met jeugd bezieken
in blauwe woede
uw schoot tot dienen bekeren
u alles doen verliezen
en veel te hard heersen
over uw kleine handen
mijn lieveling, mijn allereerste
stackoverflow (complex veld)
brakke bouwsels
benaderend beschreven
in prachtigste talen
en hoop loopt over:
denken als boom
zonder toppen
zonder wortel
in een eerste leugen
mijn laatste liefde,
van al onze spinsels
van alle bedriegen
bent u de schoonste
werk
van
Robin Ramael
is in licentie gegeven volgens een
Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GelijkDelen 3.0 Unported licentie.