24/5/2012

de tuin (en robe de parade)

(wederom vrij naar Ezra Pound)

als een tros van losse zijde die de wind tegen de muren blaast
loopt ze langs de railing van een pad in kensington gardens
sterft ze in stukjes
                            aan een soortement bloedarmoe

en rond haar bestaat geboefte
de vuile, stevige, onsterfelijke kinderen van de veel te armen

het telen stopt hier
haar verveling is barok en overdadig
ze wilt iets om mee te spreken
    en is bijna bang dat ik haar dat zou durven.

11/5/2012

richtlijnen voor een onderdrukking

1.

hij heeft zich met elementjes
van zichzelf omringd:

labello voor de kraters op zijn lippen, 
nivea voor de wonden in zijn handen
gevallen boeken wetenschap
en een blikken trommel branden

de ivoorpilaren onderbuur
die hem koffie voedt en zegt 
dat liefdespoëzie niet mag bestaan
dat ze personages moeten blijven, geen boeken

de kat die met zijn staart zit te spelen
omdat ie niet weet waar zijn vacht begint
en het universum eindigt



2.

hij leeft van kamer tot kamer
tot de volgende met licht
is koning van muggen

hij woont onder ritme
in denken dat gevuld wil met taaldansen,
niets dan kadans waar op wordt bewogen,

hij definieert:
slapen op bed
sterven aan ziekte
eten van brood

of nog: 
voeden
rusten bij storm
creperen aan dood


3.


hij heeft zich met elementjes 
van zichzelf omringd

bezeten, in tweegedachte schriften,
manifesten tegen taal en borden vol spelbomen

schetsen van vertakte borsten, 
bouwsteentjes lichaam en 
de angst om te vergeten dat er gesproken mag worden

de kamer in onbeholpen aanleg: 
de steigers als scheve posters op een scheve muur



4.


hij panikeert:

"is dit hoe alles eindigt?
gerafeld touw dat de degelijkheid niet heeft
om op te branden?

op een dag met grote oren 
in een bruine kroeg 
wakker worden 

en enkel nog meestal per ongeluk 
en veel te weinig veranderen op papier?"



5.

hij spreekt in takken:

"en als ze nu eens in mij binnenbreekt
zoals in een kamer die bestaat uit de dingen
die er op de grond liggen: een tapijt, poes
een boek, wat vrouw
		 
(de poes en het boek op de vrouw, 
	(de vrouw op het tapijt  
		(dat nog naar koffie
			(van toen ik deze ochtend
				(toen ze daar nog niet,
					(toen ze nog met ogen 
						(die je nooit wilt sluiten"

6.

maar het mag 

het mag van de boeken, 
het mag van het zingen en de liefde op zijn ellebogen

het mag van de spreekwoordelijke maagd, 
de dame met de heupen gepolijste kommen 
die hem met spitse oren zegt dat ze zijn boekje niet mag worden

het mag van de poes met ogen als aquamarijnen kopjes 
die zich naast hem, met pulserende klauwtjes 
aan haar eigen scherfjes legt



7.

de onschuld is geen vlies (je kan het blijven breken)

dus neem hem maar de handen,
duw ze zachtjes en met heupen 
naar de lijm en de gepolijste scherven

maak hem uw marionette 
met lijmdraden:

zet zijn eigen muren schrap
geef de niet te vilten hamer aan de niet te vilten man

(blijf van de pilaren
 verniel zijn hoekjes niet)

stapel jullie stenen
bouw een bunker met opgeheven rokken
hij wil vanuit u vechten

2/4/2012

basis

1.

axioma:

een lijnstuk
is in vergelijking
met een rechte
niet langer
dan een punt.

in de oneindigheid
van een ruimte
kies je zelf
waar je de oorsprong legt.


voorbeeld:

er zijn plaatsen waar je deel van uit gaat maken,
zoals ‘s nachts het bos toen we dertien en met de
handen in elkaar, met half bang gekloven lippen

langs de bomen met glinsterend papier en doeken
van de mannen met de stemmen en de sigaretten
de weg terug naar de duinen moesten zoeken.

het gebeurde daar:

we werden onbepaalde lidwoorden, vulden
slaapkamers met de Grootste Zinnen, filterden
het ‘ik’ zo fijn mogelijk uit alles dat we dachten.

want er was ons nooit verteld dat je, met de tenen in
de aarde, met de sterren door je netvliezen geprikt
jezelf van boven af niet mocht verbeelden

dat ook de grootste zinnen zijn geschreven voor de
meisjes die onze handen namen, ons door de bossen
trokken en in slaapzakken zelfs onze puistjes wouden strelen.



2.

lemma:

laat waterstof
lang genoeg begaan
en het begint
over zichzelf te dichten.

het maken
is ons opgelegd.


bewijs:

ze hadden het denken nog niet bedacht
zij, met leren benen en gegromde buiken
nog half gevuld van beestenvlees

ze waren nog in wording, bijna af, de
handen vlug, hoofden net groot genoeg
de kaken recht, de woorden hees

en dan thuiskomst:

herfst, in de grot zijn vrouw en kind en vuur
de opening is smal en het licht een balk
op de muur waar iets een man in heeft gekerfd

wat vloog er toen hun neuzen binnen?
een insect zich diep in schedels nestend
ziekte? god? de beer op de berg?

wat dwong hen in het geheim gefascineerd
een schaduw op de wand als meer te zien
dan de zon die gewoon haar dagtaak deed?

het was hun plaats op die beeldig magneten bol
of zelfs tussen de vreemde gaatjes in de nacht.
het was gewoon Het Allesomvattende in hen

dat met rotsengruis en water, met de ogen ernst
en lippen fijn, ons verplichte voor het eerst
de vingerverf van het universum te willen zijn.




3.

het vraagstuk: dolkervel

bij een brandend braambos
liggen apostelen te slapen zonder
oren of huid, met plasticine in de nekken

met de kanker in de botten, de vaderdaver
in de keel en de ogen op de werktuigen
zingen ze liederen natie, leugens volk

kwelen het Herr bin ich’s van een
kleingekneden, door zichzelf tot god
geslagen mensdom.

een ochtend op vrijdag:

het karig bijeengeraapte zwartgeelgrijs
beeldig zongesmolten rumspringen
ligt nog stolgloeiend onder mijn tenen.

er lopen eenden door de overpoort.
er is hier, op het in mens gedrenkte voetpad
nog nooit iets niet weggeveegd.

13/1/2012

pilaren

(voor A.J.)

in abstracte ruimtes van directe lampen
	met speakers die tot in alle hoeken
	metafoor van denken proberen zijn

daar aan tafel eten wij als medeplichtigen
	gebukt onze raadselige metateksten
	het rood en goud als medicijn
	

en daar de moeder dan, de toren
	zijn macadammen keelkasteel
	contrair in zetels bij haar duitse zuchten

de lippen in verzorging zingend
	schrijven zachtjes de apocalyps
	noemen ons zoon en broer, naïevelingen


en daar de liefde dan, het troosten
	zijn ernstig huis van heupen
	zijn geprojecteerde vrouwenbeeld
	
de vastleg-ogen, milde borsten
	je kan haar door de hoorn zien staren
	even tegendraads en beeldig incompleet


en daar de stoel dan, zonder benen
	die vaderend betonnen holte
	kamers tot herinnering verbouwd

zijn geërfd gelaat en scheve monden
	en pijnlijk lege jazz-akkoorden
	alles dat van hem nog wordt vertrouwd


hier leerde hij mijn botten broeien
	help ik hem zijn fort van kaften vouwen
	tot schaduw die zijn fontanel afkoelt

hier vloeit hij in gerekte wervels
	op de pilaren van zijn torenvrouwen
	en bij die ene trillend lege stoel
6/1/2012

grotemensenwoorden

1.
er is mij gisteren een probleem verweten
van opvoeding en staken kunnen volgen
dat ik doornen en voltage ben
dat ik mijn stromen zelf wil vormen

maar kijk, ik kan de regels volgen
ik kan beslissen mij te schikken
als ik weet dat ze voor schoonheid zorgen
want kelen kunnen meer dan slikken

volwassen laat zich niet omschrijven
in kleren of in met voetjes op de grond
is niet windstil binnen lijntjes blijven

maar ze ontkennen mij met spitse mond,
kindjes koppig in hun rimpellijven,
dat groeien van veel dieper komt


2.
maar wat doe ik als ik grote oren heb
wat doe ik met met mijn denkerazen?
ik geen elektriciteit meer ben
niet door de muren meer kan blazen

misschien kan ik licht die snelheid houden
maar wat als ik de lust niet wil berijden?
als ik eigenlijk gewoon een dak wil bouwen
zal ik dan nog worden kunnen blijven?

ach, ‘t is niks, als het van mijn heupen moet 
dan zal ik wel wat kinderen
en hen leren kijken, zoals een mens dat doet

maar in denken zal ik nooit niet binden
het spijt me, breken zit me in het bloed
je mag in mij geen algoritme vinden

4/1/2012

entropie

staat tegenwoordig hier

16/12/2011

periodiek

ik heb de kiemen van grote meneren gekend die zich in de
bodem en de straten kerfden, rusteloos bij obscure
drankjes, stervend aan symptoomloze ziektes die het
ontbreken van hun namen zijn, die mad-to-talk hongerend
naar kaas en verlichting en chauffage pogingen deden
elementen van te zijn, uniek en irreducibel:

die met rum en zingen de dauw aanstaken, zonnerood belicht,
eufemisme in de wind schreeuwend, zand in de ogen, roest
op de handen, wind in de benen, de duinen ontdekten,
flashbacks naar jeugd en zoenen en nog steeds dezelfde
grijze trui. (zo oud zijn we nog niet)

die naakte lichamen zochten, bloemenzaad en bitter en tulp
uit de mond, belicht in oranje, onschuldig
universumdachten, die kousenvoet op kousenvoet op
kousenvoet de liefde bedreven met woorden en traplopers

die op hun blazen drukten om de kerk met pis haar plaats te
tonen en onder dubstep en goa en acid-jazz en
post-ambient dreampoprock gejengel hun dromen leerden
definiëren

die in verlaten gymnasiums theelicht en david gilmour zagen
en nachtelang liegend, professioneel praatgraag onder
ringen en lichten bij de verwaaiden en verdwaalden en de
jongen die uren verdween om naar de sterren te kijken
boven een brak brussel 's morgens ontwaakten op dezelfde
kussens maar lichter dan ooit

die onvergeeflijk de schaduw van hun moeders imiterend niets
kunnen willen weten van wat er in de wereld gebeurt,
enkel levers willen zijn, lippen zien maar dat niet
voldoende vinden, en toch branden aan de kantlijn,
voeden aan het gesprek

die met de sappen van de vorige nog op de neuzen, met enkel
bonen in de handen, spijt hebben, schreeuwend naar de
telefoon, seks door de ether, artiest willen zijn, maar
dan vooral vanuit de heupen

die brandend naar dat hemelse eeuwenoude verbond met de
wisselstroom van de sterren in de machinerie van de
nacht, op zoek naar dromen enkel park en penis en praten
en overvolle hersenpan vonden

§

die langzaamaan herfst dus nu ook met buien, in een kamer
die nog naar klaargekomen robin wil ruiken, in
esthetische anesthesie dagenlang romes bouwden, voor het
eerst bewegend naar het eerste alles weer vergeten,
eindelijk ingevuld niets meer wilden zijn

die met de treinen aan hun voeten, zwervers zonder boxcars,
in lucht ontstaken, koud, onvergeeflijk langs hun nieuwe
huizen liepen en monologen van wanhoop dicteerden aan
bronzen bevrijders bij een rivier en klei en kaai en
geen sigaretten

die in een trillend spanje onder een naakte hemel zich
bleven wassen, voor het eerst voor altijd gevangen in de
sinusfunctie van hun hersengolven, takken brandend
zochten, geen ergere ziektes kennend

die veel te snel vijftig zullen worden, de wensen beneveld
door plicht en kind en dassen, zich terugtrekkend,
stervend bij de machinerie van andere skeletten,
eindelijk puzzelstukken, die eindelijk verschrikkelijke
deelverzamelingen voort zullen brengen, uitgesproken,
vanya, dood

die in kleine gentse rijhuizen, bij oude parketvloeren en
boeken over denken en mannen als knikkende apparaten
hun gordijnen verloren

§
die, terwijl ergens ver satie, gravend met tongen en in een
stille novembernacht onder een naïef universum niet
  konden raden waar de nacht, de rook, hun adem grenzen
vonden
die, terwijl ergens ver trombone, op een zwevende
septemberochtend knisperend van veren, begin en einde
onwetend van dag, pluim, spaak en zonnegodenlichaam met
zachte voet opnieuw de leegte vonden, sicilië noch de
zon nog niet in zicht

12/11/2011

vliering

(vrij naar Ezra Pound)


voel mee met
de meerhebbenden
met hun butlers
en zonder ons

en wij, lakeiloos,
met de avond
nog in onze oren
lachen met de getrouwden
de ongeliefden

elektrische trippel
door de ochtend
door de kamer
onze hersens

niet ver van mijn verlangen
heeft dit leven
niet veel beter
dan dit uur van koelte
van samen weer
tot de wereld komen

8/11/2011

arco

mijn hout zingt
onder uw strijken
uw paardezachteharen
beven lippen
in mijn vel

ik eet uw woorden
zoen ze van uw huid
bak lendenen
in handen

ademt uit
onder mijn schubben
kauwt uw zinnen
in mijn schouders

zucht onder
ons trillen
brandt aan mijn denken

20/10/2011

trouvère

een ritme
in denken
dat gevuld wil
met taaldansen

niets dan kadans
waar op wordt bewogen,

definieert hij
slapen op bed
sterven aan ziekte
eten van brood

of nog: voeden
rusten bij storm
creperen aan dood

8/10/2011

gesofistikeerd

met tamme ogen
het fort van uw geuren
afgebroken

een Mirage, kortgewiekt
tegen twee miljoen in het uur
aan stukken gecrasht
op uw stemmenmuur

maak een bed
van mijn brandende romp
kus mijn vleugels

en soms
als de kamer
al veel te lang niet is verlicht
ruik ik nog uw ademrook

dit is al zo veel te vaak gedicht

5/9/2011

laat mij toch

is dit hoe alles eindigt?
als gerafeld touw
dat de degelijkheid zelfs
niet heeft dicht te schroeien

op een dag
met grote oren
in een bruine kroeg
wakker worden

en enkel nog
meestal per ongeluk
en veel te weinig
veranderen op papier?

23/8/2011

onvergeten ithaca

het begint als zwellen
als gevlokte branding
rode lippen willen zoenen
zoals enkel jongens ze kunnen

en de mannen
met hun wassen oren
kreunend aan de zeilen
en het krakend hout

van uw zingen
schraapt aan mijn tanden
uw blanke borsten
kerven zich in mijn ogen

onder uw huilen
barsten mijn aders
mijn huid keert zich
de wangen branden

en met gebonden handen
vaar ik achterwaarts
langs de klippen van uw schouders
en het waaien van uw haar

tot eindelijk, oh Messina
mijn schreeuwen stopt
de zee stilt
de golven breken

21/8/2011

uit een man gebouwd

in deze tuin
en bij het besef van uw borsten
wil ik niets anders

dan mijn vlees
voor u niet verbergen
mijn lieveling, mijn eerste

dan de vrucht
van uw lende voeden
heel dicht bij mij houden

en voor altijd klei blijven
in uw warme palmen
en de curve van uw nek

-

maar onder hem
en bij zijn stem
kan ik niets

dan al uw
ogen doen wijken
en hen de mijne maken

dan steeds te hevig
en met al mijn gewrichten
uw buik met jeugd bezieken

in blauwe woede
uw schoot tot dienen bekeren
u alles doen verliezen

en veel te hard heersen
over uw kleine handen
mijn lieveling, mijn allereerste

10/8/2011

stackoverflow (complex veld)

brakke bouwsels
benaderend beschreven
in prachtigste talen
en hoop loopt over:

denken als boom
zonder toppen
zonder wortel
in een eerste leugen

mijn laatste liefde,
van al onze spinsels
van alle bedriegen
bent u de schoonste